Waterwoord van de week

Home Zuiderzeeland.nl
 

Sidebar

Homepage > Actueel > Waterwoord van de week

Waterwoord van de week

In de Nederlandse taal zijn vele mooie waterwoorden te vinden. Elke week kiezen we er één uit, hier vind je een overzicht.

2010

Week 32

Zwelwater: 1. Water dat in de vaste bodemdeeltjes van klei en humus zit; 2. Lekkage water; 3. Water dat gebruikt wordt om iets te laten indikken.  

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

Week 31

Biowater: 1. Water dat op natuurlijke wijze zijn functie vervult als drinkwater of leefwater (in dit laatste geval bijvoorbeeld voor vissen); 2. Water dat onderdeel is van het lichaam van de mens en andere levende wezens, ook ‘lichaamswater’ genoemd. In de eerste betekenis van het woord spreekt men ook wel van ‘essentieel organisch water’. In de tweede betekenis gaat het om water als samenstellend deel van een lichaam. Wat de mens betreft, is het aandeel van water in het lichaamsvolume gemiddeld bijna 60 procent. Mannen bevatten iets meer water dan vrouwen.

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

Week 30

Dunwater: Verontreinigd water dat vermengd is met regenwater waardoor de verontreiniging is afgenomen. Dunwater wordt in rioolwaterzuiveringsinstallaties soms al een probleem ervaren. Het watervolume neemt door dunwater toe en het biologische zuiveringsproces werkt bij dunwater minder goed.

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

Week 29

Mooi water: Waterplas of waterstroom die voor mensen vooral een esthetische functie heeft, wat wil zeggen dat het water in het bijzonder gewaardeerd wordt om zijn fraaie ligging en zijn flora en fauna; het is dus voornamelijk ‘kijkwater’.

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

Week 28

Oud water: 1. Water dat al geruime tijd niet ververst is; 2. Water dat dateert ui een vorig tijdperk, ook wel ‘fossiel water’, ‘paleowater’ en ‘oerwater’ genoemd.

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

Week 27

Zwemwater: Oppervlaktewater waarin gezwommen mag en kan worden. Oppervlaktewater waarin mensen gaan zwemmen, wordt gecontroleerd op de waterkwaliteit. Het gaat dan om open water (en niet om zwembaden; daarvoor gelden andere criteria). Zwemwater is toegankelijk van 1 mei tot 1 oktober, want in deze periode valt het officiële zwem- of badseizoen. Bij het meten van de kwaliteit van zwemwater wordt onder andere gelet op de zuurgraad van het water, de zogenoemde pH-waarde. De beste waarde voor goed zwemwater is een pH-waarde van 7,2. Meestal houdt men een bandbreedte aan van 6,8 tot 7,8. Ook het chloor- en klakgehalte van zwemwater worden gemeten bij het vaststellen van de kwaliteit ervan.

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

Week 26

Sluiswater: Water dat tussen twee sluizen staat. Het woord ‘sluis’ komt van het Oud-Franse woord ‘escluse’, dat teruggaat op het Latijnse ‘exclusa’, dat hoort bij het begrip ‘aqua exlusa’, met als betekenis ‘buitengesloten water’.

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

Week 25

Buitenwater: 1. Water van de grote rivieren (Rijn, Maas, IJssel), het IJsselmeer, het Markermeer en de zee; 2. Oppervlaktewater waarvan de waterstand mede bepaald wordt door stormvloed en de waterstand van de grote rivieren of andere grote wateren; 3. Water dat om een polder ligt; 4. Water dat een directie verbinding heeft met de zee; 5. Water dat in een stad wordt aangevoerd vanaf een oppervlaktewater dat buiten de stad ligt, bijvoorbeeld om stadsgrachten schoon te spoelen. 

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

Week 24

Corrosief water: Water dat de leidingen waar het doorheen loopt aantast, bijvoorbeeld doordat het roestvorming veroorzaakt. ‘Corrosief’ betekent: bijtend, wegknagend.

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

Week 23

Grijs water: Regenwater of afvalwater dat niet direct naar de riolering wordt afgevoerd, maar dat wordt opgevangen in een reservoir en wordt gebruikt voor bijvoorbeeld het reinigen van gebouwen of het doorspoelen van toiletten. Grijs water wordt ook wel B-water, E-water, huishoudwater en tweedekwaliteitswater genoemd.

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

Week 22

Leggerwater: Oppervlaktewater dat geregistreerd is in de legger. De legger is door de Waterschapswet (artikel 78) geregelde register met bijbehorende kaarten waarin de onderhoudsplichtige en de onderhoudsverplichtingen met betrekking tot een oppervlaktewater staan vermeld.

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

Week 21

Nortonwater: Opgepompt grondwater dat op een flinke diepte zit. Het woorddeel ‘norton’ verwijst oorspronkelijk naar de merknaam Norton, een merk van een pomp die vroeger, in de tijd dat er op veel plaatsen nog geen leidingwaternet was, veel gebruikt werd om water op te pompen.

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

Week 20

Opwelwater: Water dat uit diepere delen van een open water naar boven komt.

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

Week 19

Run-offwater: Afstromend water, bijvoorbeeld water dat vanuit een kanaal in de rivier stroomt. Deze Engelse term heeft niet dezelfde betekenis als ‘afvoerwater’.

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

Week 18

Influent water: Het ongezuiverde, verzamelde afvalwater dat bij een waterzuiveringbedrijf binnenkomt om gezuiverd te worden. ‘Influent’ komt van het Latijnse woord ‘influere’ (-binnenstromen), waarvan trouwens ook ‘influenza’ (=griep) is afgeleid, omdat men vroeger dacht dat de griep veroorzaakt werd door het binnenstromen (in het lichaam) van de invloeden van hemellichamen.

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

Week 17

Staand water:Overgangstoestand van water in een natuurlijke waterloop op de plaats waar stijgend (wassend) water overgaat in vallend water.

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

Week 16

Ultrapuur water: Water dat al een keer gezuiverd is van mineralen (zoals calcium/kalk) maar dat toch nog een extra zuivering ondergaat. Ultrapuur water wordt bijvoorbeeld gebruikt in ziekenhuislaboratoria en in de halfgeleiderindustrie (voor computers). De benaming wordt vaak afgekort tot UP-water.

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

Week 15

Polderwater: Water dat in een polder staat. Een polder is een stuk land dat gescheiden is van ander land door water en waarin de hoogte van de waterstand kan worden geregeld, bijvoorbeeld via een gemaal. Het woord ‘polder’ is afgeleid van het Middelnederlandse  ‘pol’(=land dat gevormd is door aanslibbing. We zien dat oude woordje ‘pol’ ook terug in een woord als ‘graspol’.

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

Week 14 

Peilwater: 1. Water waarin gepeild (gemeten) wordt hoe hoog de waterstand is; 2. Water waarvan de waterstand als norm geldt voor de stand van het waterpeil. Het woord ‘peilwater’ komt enkele keren voor in het boek De geschiedenis van het N.A.P. uit 1971 van P.I. van der Weele. Er wordt onder andere een zin uit een resolutieboek (een besluitenboek) aangehaald van augustus 1665 (toen men overigens nog niet van N.A.P. sprak): ‘Is opgenomen de hooghte van het peylwater en bevonden dat het peylwater was 84 duym lager als het hooghste peyl.’ De afkorting N.A.P staat voor Normaal Amsterdams Peil. Dat is de norm bij hoogtemetingen in Nederland. Die norm (het waterpeil) wordt gemakshalve gelijkgesteld aan het gemiddelde zeeniveau, wat wil zeggen dat een N.A.P.-hoogte van 0 meter min of meer gelijk is aan het gemiddelde zeeniveau. Op vel duizenden plaatsen in het land is via een bout in bruggen, gebouwen, enz. het N.A.P. aangegeven. Daarnaast zijn er de blauwe N.A.P.-waterstandborden (ook ‘peilschalen’ genoemd) die in oppervlaktewateren de hoogte van waterstand aangegeven ten opzichte van het N.A.P.

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

Week 13 

Zinkwater: 1. Afvalwater; 2. Rioolwater; 3. Ruw zoutzuur of verdund ruw zwavelzuur, dat gebruikt wordt om zink te schuren. ‘Zink’ in in de eerste een tweede betekenis is een vorm van het werkwoord ‘zinken’ of ‘bezinken’ . Bij ‘zink’ in de derde betekenis gaat het om een chemisch element, een blauwachtig wit metaal dat langzaam grauw wordt door roest en verwering. 

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)


Week 12 

Drukwater: Grondwater dat onder druk staat, veelal doordat het ingeklemd zit tussen twee min of meer ondoorlaatbare aardlagen, ook wel ‘artesisch water’ en ‘spanningswater’ genoemd.

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

Week 11 

Putwater: Grondwater dat  via een put naar boven gehaald wordt. De put is meestal een geboorde put. Veel gewone, particuliere putten zijn tussen de 4 en 10 meter diep, wat voor een put niet heel erg diep is. Zulk putwater is vaak verontreinigd door afvalstoffen die ooit in de bodem zijn geloosd. Beter water is aan te treffen in diepere bodemlagen, waarbij men bij het boren of slaan van de put door sterke afdichtende bovenlaag moet. Maar ook putwater uit diepe putten kan verontreinigd zijn, bijvoorbeeld met zware metalen die al van oudsher in de bodem aanwezig zijn.

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

Week 10 

Productwater: Water dat door een zuiveringsinstallatie is gegaan en dat klaar is om aan klanten geleverd te worden (als drinkwater, proceswater, enz.).

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

Week 9 

Gravitatiewater: Water dat op een aardoppervlak valt en vervolgens naar het grondwater zakt. ‘Gravitatie’ is een ander woord voor ‘zwaartekracht’.

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

Week 8 

Zuiver water: 1. Water dat geschikt is als drinkwater; 2. Oppervlaktewater met een goede waterkwaliteit; 3. Bronwater, ijsbergwater of gletsjerwater; 4. Gedestilleerd water. Drinkwater noemen we vaak zuiver water zonder dat het echt zuiver is. Er zitten nog allerlei stoffen in en dat is ook wenselijk. Wel zijn de ziekteverwekkers eruit gehaald. Echt zuiver water heeft geen kleur, reuk of smaak. Om echt zuiver water te krijgen, moet water worden gedestilleerd. Of oppervlaktewater (relatief) zuiver water is, valt vaak af te lezen aan het dierenleven in en bij het water. Als de Weidebeekjuffer zich bijvoorbeeld veelvuldig bij een oppervlaktewater laat zien, is dat meestal een aanwijzing dat het met de zuiverheid van het water de goede kant op gaat.

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

Week 6
Pendulair water: 

Water dat na een periode van neerslag niet naar de grondwaterspiegel zakt maar in de bovengrond blijft hangen. Het water wordt hier gezien als een slinger (van een pendule) die aan de bovengrond hangt. In plaats van ‘pendulair water’ spreekt men ook van: hangwater, aanklevingswater en funiculair water

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

Week 5

Aanvoerwater:1. Water dat ergens in uitmondt; 2. Water dat gebruikt wordt bij het maken van bepaalde producten. Kanalen zijn veelal het aanvoerwater van rivieren, terwijl rivieren op hun beurt het aanvoerwater van de zee zijn. In fabrieken die veel water gebruiken voor het maken van bepaalde producten, spreekt men ook van aanvoerwater. Hierbij gaat het dan meestal om leidingwater, maar het kan ook gezuiverd afvalwater zijn of gezuiverd kanaal- of rivierwater.

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

Week 4

Vulwater: 1. Water waarmee een gedaald waterpeil wordt aangevuld, bijvoorbeeld in een watervat dat hoort bij een cv-installatie; 2. Water waarmee iets dat nog leeg is, gevuld wordt, bijvoor beeld een groet kuil ten  behoeve van waterrecreatie.  

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

Week 3

Oeverwater: Water aan de oever van een rivier of aan de oever van een andersoortig water. Oeverwater is meestal ondiep water. Sommige vissoorten verblijven bij voorkeur in oeverwater. Men spreekt ook wel van ‘oevergrondwater’. Dat betreft grondwater dat op enkele tientallen of honderden meters afstand van een rivier wordt opgepompt. Verschillende waterleidingbedrijven gebruiken oevergrondwater voor het ‘maken’ van drinkwater.

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

Week 2

Wassend water: Water dat (snel) stijgt. Hevige regenval, een grote aanvoer van smeltwater, wind die het water opstuwt, een beving in de zeebodem; er zijn diverse oorzaken die voor (snel) wassend water kunnen zorgen.

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

Week 1

Ander water: Water dat niet geschikt is als drinkwater, maar dat nog wel goed genoeg is voor andere doeleinden, zoals het doorspoelen van de wc. ‘Ander water’ heet ook: B-water, huishoudwater, grijs water, tweedekwalieteitswater en soms ook E-water.

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

2009

Week 52

Virtueel water: Water dat nodig is om producten te verbouwen of te maken. Nederlanders gebruiken dagelijks ongeveer 130 liter zichtbaar water. Daarnaast is er een verbruik van virtueel water dat op bijna 3300 liter per persoon per dag zou liggen. Daarmee komt de zogenoemde watervoetafdruk (de totale waterconsumptie) voor de gemiddelde Nederlander op zo’n 3420 liter per dag. Dat is althans de uitkomst van een onderzoek dat het Wereld Natuur Fonds via de Universiteit Twente heeft laten uitvoeren naar het verbruik van virtueel water in Nederland. De titel van het onderzoeksverslag is: The Water Footprint of the Netherlands; analysis of international impacts and options for change (2007). Een belangrijke uitkomst van het onderzoek is dat 80 procent van het Nederlandse verbruik van virtueel water in feite plaatsvindt buiten ons land, ook in landen waar (schoon) water een schaars goed is. Met andere woorden: wij gebruiken tal van producten die in ander landen – met behulp van veel water – gemaakt zijn.

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

Week 51

Droogwater: Gekristalliseerde soda. Soda is een zoutstof, die in de natuur in minerale bronnen voorkomt. Bovendien is soda te vinden in de as van diverse zeeplanten. De zoutstof wordt ook geproduceerd uit ammoniak, koolzuurgas en keukenzout. Het begrip ‘droogwater’ is sinds enkele jaren eveneens bekend als het gaat om kunstgrasvelden. Een bepaald type kunstgrasmat is het droogwaterkunstgrasveld, dat niet beregend hoeft te worden en dat ook sneller is dan de kunstgrasvelden die met zand moeten worden ingestrooid. Wie aan iemand wil laten zien dat droogwater ‘letterlijk’ bestaat, moet een glas water nemen en er gemalen peper op strooien tot het wateroppervlak volledig met peper bedekt is. Daarna kun je dan een vinger in het water steken en meteen weer omhoog trekken. De vinger zal droog zijn.

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

Week 50

Overstortwater: Onbehandeld rioolwater dat in oppervlaktewater terechtkomt. Overstortwater is een mix van onbehandeld (=niet-gezuiverd) huishoudelijk afvalwater, onbehandeld industrieel afvalwater en regenwater. Zowel opgeloste als onopgeloste vervuiling komt tijdens een riooloverstort in het oppervlaktewater terecht. Hoewel overstortwater schadelijk is voor het milieu en er richtlijnen voor gelden, kan vervuiling met overstortwater niet altijd voorkomen worden. Bij noodweer bijvoorbeeld kunnen riolen overstromen, waarna het rioolwater in sloten en kanalen belandt. De richtlijnen voor overstortwater zijn opgenomen in de Wet verontreiniging afvalwater.

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

Week 49

Rijmwater: Water dat ontstaat als bevroren dauw ontdooit. ‘Rijm’ is bevroren dauw.

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

Week 48 

Spanningswater: Grondwater dat in een grondmassief zit met aan de bovenkant en de onderkant twee grondlagen die ondoordringbaar zijn (voor regenwater). Spanningswater kan zich alleen min of meer horizontaal verplaatsen, wat het ook doet en moet als er vanuit andere wel doorlaatbare bodemgebieden regenwater of grondwater wordt aangevoerd. Het water in een gesloten grondmassief komt dan onder spanning te staan; vandaar ook de benaming ‘spanningswater’. Andere benamingen die sommigen voor spanningswater gebruiken, zijn ‘artesisch water’ en ‘drukwater’.

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

Week 47

Gebiedseigen water: Oppervlaktewater dat in oorsprong of in ieder geval al heel erg lang in een bepaald gebied aanwezig is. Men spreekt soms ook van ‘systeemeigen water’.

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

Week 46

Zogwater: Water dat achter een varend schip opborrelt. ‘Zog’ in ‘zogwater’ is een verkorting van ‘kielzog’. De kiel is de bodembalk van een schip, maar er wordt soms ook het hele schip mee bedoeld.

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

Week 45

Hangwater: Water dat na een periode van neerslag niet naar de grondwaterspiegel zakt maar in de bovengrond blijft hangen. Hangwater hangt als het ware aan de gronddeeltjes die zich boven de grondwaterspiegel bevinden. Vooral bij diepe grondwaterstanden komt hangwater voor. Hangwater wordt ook wel ‘aanklevingswater’, ‘funiculair water’ en ‘pendulair water’ genoemd. Hangwater wordt vaak snel door aanwezige plantenwortels opgenomen. Maar een gedeelte blijft altijd in snoervorm of als een vliesje rondom bodemkorrels hangen.

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)


Week 44

Menagewater: Afvalwater afkomstig van huishoudens, waarbij het dan vooral gaat om water dat gebruikt wordt om te koken en af te wassen. ‘Menage’ is van oorsprong een Frans woord (ménage), dat ‘huishouden’ betekent.

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

Week 43

Vadoos water: Regenwater dat de grond is binnengedrongen, maar dat gescheiden blijft van het echte, diepe grondwater. De begrenzing van vadoos water en diep grondwater is de grondwaterspiegel: het niveau waarop het grondwater staat (dat je kunt zien als je een gat in de grond graaft). De grondwaterspiegel is overigens variabel (‘vrij’ zegt men ook), onder meer onder invloed van regenwater. Het woord ‘vadoos’ is afgeleid van het Latijnse ‘vadosus’, dat ondiep betekent.

(bron: Waterwoordenboek/ Wim Daniëls)

 

Naar boven