Er zijn verschillende typen kabels en leidingen die ieder een verschillende mate van risico met zich meebrengen (zie paragraaf 3.4). Teneinde randvoorwaarden voor vergunning verlening te formuleren per type is onderscheid gemaakt tussen kabels, drukloze leidingen, lage drukleidingen en hoge drukleidingen. Tevens is er onderscheid te maken tussen kabels en leidingen in de lengterichting in en langs de kering, door de kering en onder de kering door.
4.4.3.a Algemene voorwaarden
Bij aanvragen tot vergunningverlening worden leidingen beoordeeld op basis van de volgende normen en voorschriften:
1. NEN 3650-serie
2. NEN 3651
3. NPR 3659
4. Voorschrift Toetsen op Veiligheid (VTV)
(De NEN 3652 is in 2003 geïntegreerd in de nieuwe versies van de NEN 3650 en 3651)
De aanleg en het onderhoud van kabels en leidingen is alleen toegestaan buiten het stormseizoen, in de periode van 15 maart tot en met 15 oktober. Dit omdat de kans op een calamiteit in het stormseizoen groter is dan buiten het stormseizoen.
De uitgangseisen die van toepassing zijn op de verschillende typen kabels en leidingen, de methodiek van kruisingen en de gevolgen voor het beheer en onderhoud, zijn hieronder toegelicht in en in de bijlagen KL. 1 tot en met KL. 5 afzonderlijk besproken.
4.4.3.b Kabels
Een kabel is een transportmedium (veelal voor elektriciteit en communicatie) zonder holle ruimte. Leidingen met een diameter van maximaal 40 mm die gebruikt worden voor (glasvezel)kabels worden beschouwd als een kabel. Kabels brengen, ten opzichte van leidingen, minder risico’s met zich mee ten aanzien van het waterkerend vermogen van een dijk. Het leggen van een kabel geeft verstoring van de ondergrond. De afdekkende kleilaag verliest voor een deel zijn homogeniteit waardoor bij golfaanval de kans op erosie groter is.
Kabels in de lengterichting in de kering zijn niet toegestaan. Voor de aanleg van kabels en lichtmasten ten behoeven van het openbare verlichtingsnet kan in en nabij de binnenkruinlijn, alleen binnen stedelijke gebieden bij hoge uitzondering vergunning worden verleend als de voorzieningen vanwege de verkeersveiligheid noodzakelijk zijn en er verlichtingstechnisch geen alternatieven voorhanden zijn. Verdere eisen staan beschreven in bijlage KL. 1
4.4.3.c Drukloze leidingen
Drukloze leidingen transporteren vloeistof onder vrij verval. De meest voorkomende drukloze leidingen zijn rioolleidingen. Ze komen vooral voor binnen stedelijke gebieden, zowel binnen als buitendijks. Een drukloze leiding door de waterkering vormt een open verbinding tussen binnen en buitendijks gebied en is daarom niet toegestaan.
Eventuele oplossingen moeten worden gezocht in verzamelkelders, waarbij het afvalwater door middel van een persleiding door de waterkering wordt gevoerd.
4.4.3.d Drukleidingen
Drukleidingen vormen een groter risico voor de stabiliteit van de kering dan kabels. Drukleidingen in de lengterichting in de kering in de kernzone en binnenbeschermingszone zijn niet toegestaan.
Overeenkomstig de richtlijnen van de in paragraaf 4.4.3.a. genoemde normbladen dient tussen het dijklichaam en de leiding een stabiliteitszone en een veiligheidszone te worden aangehouden (zie Figuur 3). De stabiliteitszone heeft als vuistregel een breedte van 4 x de hoogte van de dijk ten opzichte van het maaiveld (4xH). De veiligheidszone bestaat uit de stabiliteitszone plus de zone waarbinnen de lekkende of exploderende leiding invloed heeft; de verstoringzone. De verstoringzone is afhankelijk van de buisdiameter, de druk in de leiding en het te transporteren medium.
De verstoringzone die bij breuk in een vloeistofleiding ontstaat, is groter dan de erosiekrater van een gasleiding. Het effect van een exploderende gasleiding of een brekende vloeistofleiding moet buiten de binnenbeschermingszone blijven. De afstand die de leiding uit de beschermingszone moet liggen is gelijk aan de helft van de berekende explosiekrater of erosiezone.
Figuur 3 Schematisatie ligging stabiliteitszone, verstoringzone en veiligheidszone (bijlage)
Om het effect van een gebarsten leiding te beperken, dienen aan weerszijden van de te kruisen dijk, buiten de veiligheidszone, afsluiters aangebracht te worden die onder alle omstandigheden goed bereikbaar zijn. Verder moet het leidingdeel in de waterkering tot buiten de veiligheidszone een klasse zwaarder zijn (20 %) dan voor het overige deel nodig is. Verdere eisen staan beschreven in bijlagen KL. 1 en KL. 2.
Lage drukleidingen
Lage drukleidingen hebben een maximale bedrijfsdruk die kleiner is dan 1 Mpa (10 Bar). In verhouding tot kabels in en nabij de kering gelden er strengere eisen voor een vergunning van lage drukleidingen
Lage drukleidingen met een diameter van minder dan 50 mm en een druk van maximaal 3 Bar veroorzaken bij explosie geen erosiekrater. Voor deze leidingen is geen sterkteberekening nodig en kunnen de standaardvoorwaarden volstaan. Wel moet rekening worden gehouden met verwekingzones bij vloeistoftransporterende leidingen. Voor de lage drukleidingen met een diameter van maximaal 300 mm kan worden volstaan met een vereenvoudigde sterkteberekening.
Indien de waterkering wordt gekruist door een lage druk gasleiding is een vervangende waterkering niet nodig. Indien de waterkering wordt gekruist door een lage druk vloeistofleiding en H³ x D5 < 1 dan is een vervangende damwand niet nodig. (H = maximale bedrijfsdruk in meters waterkolom tot de derde macht en D = inwendige diameter in meters tot de vijfde macht). Verdere eisen staan beschreven in bijlage KL. 2.
Hoge drukleidingen
Hoge drukleidingen hebben een bedrijfsdruk groter of gelijk aan 1 Mpa (10 Bar). Drukleidingen zijn onder andere water- en gasleidingen, drukrioleringen, stadsverwarming en industriële leidingen, maar ook leidingen die onderdeel zijn van het hoofdtransportnet. Hoge drukleidingen vormen het grootste risico voor de stabiliteit van de kering. De leidingen transporteren een medium dat bij breuk als gevolg van lekkage of explosie het dijklichaam kan verweken of zelfs geheel wegslaan. Om dit gevaar te voorkomen dienen vanuit het waterkeringbelang bijzondere voorwaarden te worden gesteld, waarvan de belangrijkste zijn beschreven in bijlage KL. 2.
Voor een vergunning aanvraag voor de aanleg van hoge drukleidingen is een sterkteberekening benodigd, waarin de toelaatbare spanningen worden getoetst.
Indien een hoge drukgasleiding een uit zand bestaande waterkering (met kleibekleding) kruist, kan een vervangende waterkering achterwege blijven. Als een dergelijke waterkering wordt gekruist door een hoge druk vloeistofleiding is een vervangende waterkering, in de vorm van een stalen damwand met een totale breedte van minimaal 25 m (exclusief de breedte van de leiding) nodig.
4.4.3.e Methodiek dijkkruisingen
Er zijn verschillende methoden voor de aanleg van dijkkruisingen van kabels en leidingen: door een open sleufontgraving of een gestuurde boring.
Het spuiten, boren of persen van kabels en leidingen door de waterkering is niet toegestaan.
Zowel bij gestuurde boringen als bij open ontgravingen moet de stabiliteit tijdens de uitvoering gewaarborgd zijn.
Een kruising van de kering moet loodrecht op de lengterichting van de waterkering worden uitgevoerd. Verder dienen de kabels en leidingen op één centrale plaats de kering te kruisen.
Dijkkruising middels open sleuf
De gegraven sleuf moet het verloop van het dijkprofiel volgen waarbij de ontgravingdiepte maximaal 0,90 meter bedraagt. De onderzijde van de kabel of leiding onder de kruin van de dijk, mag niet lager dan de Maatgevend Hoogwaterstand (MHW) uitkomen, vermeerderd met de verwachte zakking van de kabel/leiding en 0,1 meter reserve. Als de onderkant van de kabel of leiding nergens in de kruising boven MHW reikt, moeten één of meerdere kwelschermen worden voorgeschreven.
Dijkkruising middels horizontaal gestuurde boring (HDD-boringen)
Een gestuurde boring of HDD-methode (Horizontal Directional Drilling) is een sleufloze boortechniek waarbij waterkeringen diep onder het maaiveld worden gekruist. Met deze methode is men in staat over honderden meters nauwkeurige boringen te verrichten. Hierbij ontstaat de mogelijkheid om persleidingen of kabeldoorvoerbuizen onder keringen te leggen zonder het dijkprofiel te verstoren.
De voorwaarden zijn afhankelijk van de boring, de druk in de leiding, het te transporteren medium, de dijkhoogte, de plaatselijke geologische omstandigheden, enzovoort. De voorwaarden worden per boring vastgelegd overeenkomstig de richtlijnen zoals deze zijn opgenomen in de in paragraaf 4.4.3.a. genoemde normbladen.
Voor de aanleg van een horizontaal gestuurde boring moet het ontwerp onderbouwd worden met de noodzakelijke grondonderzoeken en sterkteberekeningen.
Het in- en uittredepunt van de boring moet buiten de veiligheidszone van de waterkering liggen. In de kernzone dient de gronddekking ten opzichte van het maaiveld of de waterbodem minimaal 10 meter te zijn en moet de leiding horizontaal liggen.
Wanneer het pleistocene zand wordt aangeboord moet de stijghoogte in het Pleistoceen worden bepaald. Een gestuurde boring mag niet worden uitgevoerd als de stijghoogte in het Pleistoceen hoger is dan het freatisch vlak buiten de waterkering tenzij er extra maatregelen worden getroffen, zoals bijvoorbeeld de aanleg van kwelschermen in een kleikoffer aan weerszijden van de boring. Verdere eisen staan beschreven in bijlage KL. 3.
Mantelbuizen
Het gebruik van mantelbuizen is niet toegestaan omdat er een holle ruimte aanwezig is tussen de kabel/leiding en de mantelbuis. Het nadeel van een mantelbuis is de kans op lekkage tussen de mantelbuis en de mediumvoerende kabel/leiding.
In enkele gevallen moeten mantelbuizen worden toegestaan wanneer;
Bij horizontaal gestuurde boringen de pleistocene zandlaag wordt bereikt en waarbij door de leiding milieu verontreinigende stoffen worden getransporteerd.
Een bundel kabels wordt gelegd.
Zettingbelasting moet worden opgevangen
Indien een mantelbuis moet worden toegepast dient aan beide uiteinden van de mantelbuis een constructie te worden aangebracht op zodanige wijze dat een waterdichte afsluiting wordt verkregen tussen mantelbuis en kabel/leiding. Verdere eisen staan beschreven in bijlage KL. 4.
4.4.3.f Randvoorwaarden t.b.v. beheer van waterkeringen
De aanwezigheid van kabels en leidingen in en nabij primaire waterkeringen brengt onderhoud met zich mee. Wanneer er onderhoud aan kabels of leidingen uitgevoerd moet worden kan dit betekenen dat de sleuf opnieuw open gegraven dient te worden. Voor dit onderhoud dient een vergunning aangevraagd te worden.
De kabel/leidingbeheerder is verantwoordelijk voor het veilig functioneren van de leiding en overige voorzieningen in de waterkering en moet het waterschap de gelegenheid geven zich daarvan op de hoogte te stellen. Van stalen leidingen moet jaarlijks worden aangetoond dat de kathodische bescherming naar behoren functioneert.
Nadat een kabel of leiding is aangelegd dient de vergunninghouder binnen zes maanden na het gereedkomen van de werkzaamheden digitale revisietekeningen te leveren aan het waterschap. De eisen waaraan deze tekeningen dienen te voldoen zijn opgenomen in de bijlagen.
Iedere vijf jaren wordt door het waterschap de wettelijk verplichte veiligheidstoetsing voor de primaire waterkeringen uitgevoerd. Indien gevraagd dient de kabel/leidingbeheerder hiervoor de benodigde informatie aan te leveren en/of daarvoor onderzoeken te doen.
Kabels en leidingen dienen op eerste aanschrijving van het waterschap te worden verwijderd wanneer dit voor onderhoud- of verbeteringswerken aan de waterkering noodzakelijk wordt geacht. Buiten gebruik gestelde kabels en leidingen dienen op het moment van buitengebruikstelling door de vergunninghouder te worden verwijderd en de waterkering dient ter plaatse te worden hersteld.