In deze Keur is er voor gekozen om in de lijst met begripsomschrijvingen de meest essentiële begrippen voor het waterschap en voor de in het beheergebied gevestigde burgers en bedrijven een plaats te geven. Daarmee wordt beoogd van de Keur van Waterschap Zuiderzeeland een zelfstandig leesbaar document te maken, zij het dat de lijst niet uitputtend is. Voor het in alle opzichten goed kunnen doorzien wat de waterbeheerwetgeving voor alle partijen betekent, ontkomt men er niet aan ook de Waterwet zelf en haar Memorie van Toelichting (MvT), de Invoeringswet Waterwet en haar MvT, het Waterbesluit en de provinciale VFL en aanpalende wet- en regelgeving er op na te slaan.
Onderstaand worden bepaalde begripsomschrijvingen nader toegelicht; de overige zoals geformuleerd in de Keur spreken voor zich:
a. bergingsgebied: dit begrip is overgenomen uit de Waterwet, waarbij de relatie met de Wet ruimtelijke ordening is gelegd.
c. beschermingszone: dit begrip is deels overgenomen uit de Waterwet, met de toevoeging dat die zone in de legger is vermeld en dat het betreffende water-staatswerk en de betreffende beschermingszone wordt beschermd door voorschriften krachtens deze Keur. In deze omschrijving wordt de relatie gelegd tussen de legger met de ligging, vorm, afmetingen en constructie van dat waterstaatswerk en de Keur met haar instrumentarium om die waterstaatswerken daadwerkelijk te beschermen tegen ingrepen van derden.
Bij waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen maakt de kernzone deel uit van het waterstaatswerk. De beschermingszones grenzen aan het waterstaatswerk en dus ook aan de kernzone. Ten aanzien van het begrip beschermingszone maakt Waterschap Zuiderzeeland bij waterkeringen onderscheid in binnen¬beschermingszones, tussenbeschermingszones en buitenbescher¬mingszones. Bij oppervlaktewaterlichamen wordt onderscheid gemaakt in binnenbeschermingszones en buitenbeschermingszones. Ook deze onderscheidene zones zijn als begrip omschreven.
k. grondwater: de omschrijving van dit begrip is uit de Waterwet overgenomen, met de toevoeging dat het in deze Keur om een onderdeel van het grond-water gaat. Het gaat om dat grondwater, voor zover het waterschap door de Waterwet belast is met het beheer van dat onderdeel van het grondwater. De Waterwet gaat uit van het toekennen aan water-schappen van het passieve, kwantitatieve beheer van grondwater, voor zover het betreft de regulering van het onttrekken van water aan grondwater voor industriële toepassingen met een hoeveelheid van niet meer dan 150.000 m³ per jaar, dan wel voor zover het niet gaat om onttrekkingen voor de openbare drinkwatervoorziening of voor bodemenergiesystemen.
n. infiltreren van water: dit is geheel overgenomen uit de Wet.
p. legger: zoals bedoeld in artikel 5.1 van de Wet of in artikel 78 tweede lid van de Waterschapswet.
Het begrip legger is voor de waterbeheerder van groot belang. Zeker nu artikel 5.1 van de Wet verplicht stelt dat de beheerder zijn water-staatswerken vastlegt in de Waterwetlegger. Daarnaast hanteren de waterschappen al sinds lange tijd de Waterschapswetlegger, als bedoeld in artikel 78, tweede lid van de Waterschapswet. Daarin nemen zij de lijst van onderhoudsplichtigen voor waterstaatswerken op. Het onderhoud van bepaalde waterstaatswerken door de aan-liggende zakelijk gerechtigde komt nog veelvuldig in het regionale waterbeheer voor, zo ook in het beheergebied van Waterschap Zuiderzeeland. Er is geen formeel beletsel om deze twee verschillende leggers te integreren tot één waterschapslegger, reden waarom Waterschap Zuiderzeeland de twee leggers heeft geïntegreerd.
De mogelijkheid van vrijstelling van de leggerplicht ex Waterwet is vervat in de VFL.
q. onttrekken: dit begrip is deels overgenomen uit de Waterwet en gaat in op zowel het onttrekken van grondwater alsook op het onttrekken van water aan het oppervlaktewaterlichaam. In artikel 1 derde lid van de Grondwaterwet was opgenomen dat ontwaterings- en afwateringsactiviteiten zijn uitgezonderd van het onttrekkingsbegrip. Dat geldt ook voor het hier opgenomen begrip ‘onttrekken van grondwater'. De betreffende artikelen 4.7 tot en met 4.10 van de Keur zien dus niet toe op ont- en afwateren. In hoofdstuk 4 van deze Keur is een uitgekristalliseerd instrumentarium opgenomen voor de regulering van onttrekkingen aan oppervlaktewaterlichamen en voor het onttrekken van grondwater in combinatie met infiltraties.
r. oppervlaktewaterlichaam: dit begrip is overgenomen uit de Waterwet. Het betreft oppervlaktewater met de daarin aanwezige stoffen, de waterbodem, de oevers (dat kunnen ook de drogere oevergebieden zijn, voor zover die uitdrukkelijk krachtens de Waterwet zijn aangewezen) en flora en fauna. Die drogere oevergebieden zijn via de Invoeringswet Waterwet toegevoegd aan dit begrip. Dat is nodig vanwege het opnemen van de regeling voor de waterbodemsanering in de Waterwet (afkomstig uit de Wet bodembescherming) en het onderscheid daarbij tussen de sanering van de landbodem en de waterbodem. Het begrip opper-vlaktewaterlichaam gaat verder dan de op grond van de Kaderrichtlijn Water door de waterbeheerders als oppervlaktewaterlichamen bestempelde wateren. Deze ruime omschrijving gaat ook verder dan de omschrijving van het begrip ‘oppervlaktewater', zoals dat door de jurisprudentie in de jaren '80 en '90 is gevormd.
Het gaat hierbij om oppervlaktewater, zoals kavelsloten, wegsloten, erfsloten, dijksloten, tochten, vaarten en plassen. Daarnaast kan men niet om het begrip ‘water' heen, omdat daarmee wordt bedoeld de substantie in de formule H2O. Dat begrip komt voor in hoofdstuk 4, waarin het aanvoeren van water of het onttrekken van water aan het grondwater is gereguleerd.
Het begrip ‘oppervlaktewaterlichaam' komt in de plaats van de in het verleden veel gehanteerde begrippen ‘watergangen of waterlopen'. Het begrip is opgenomen, omdat de regionale waterbeheerder zijn beheertaken uitvoert in en om oppervlaktewater. Het begrip oppervlaktewaterlichaam is onderdeel van het meer omvattende begrip waterstaatswerk, welk begrip op zijn beurt weer deel uitmaakt van het brede begrip watersysteem. Watersysteem is het meest omvattende van alle in de Waterwet en hier gebruikte begrippen. Het is hét object van beheer in de Waterwet. Voor de waterbeheerder en voor derden is het essentieel dat een ieder weet waarover het gaat en vooral wat de reikwijdte is van ge- en verbodsbepalingen in relatie tot bepaalde beheerobjecten. De begrippen moeten onderscheiden worden, omdat het beheer gericht kan zijn op onderdelen van het watersysteem. Scheiden is niet mogelijk, want het voert het waterbeheer integraal uit. Uitoefening van de beheertaak waterkeringen mag in principe niet ten koste gaan van bijvoorbeeld het aquatische ecosysteem van oppervlaktewateren in de nabijheid.
t. waterkering: deze begripsomschrijving komt in de Waterwet niet voor. De omschrijving is nodig om aan te geven wanneer het waterschap een object als waterkering aanduidt. Hij beheert niet alleen de primaire, maar ook de regionale waterkeringen. Het begrip dekt beide soorten kering.
u. watersysteem: dit begrip is overgenomen uit de Waterwet, met de opmerking dat de zinsnede ‘en grondwaterlichamen' aanvullend op de begripsomschrijving is gezet, omdat die geen waterkeringen en ondersteunende kunstwerken behoeven.
v. waterstaatswerk: overgenomen uit de Waterwet en voorts dat het werk als zodanig in de (Waterwet)legger is aangegeven, tenzij dat van de leggerplicht is vrijgesteld of op een overzichtskaart als bedoeld in artikel 6.3 staat aangegeven.
De relatie met de legger komt hier tot uitdrukking.
w. watervergunning: het gaat om de vergunning die de Waterwet introduceert voor bepaalde handelingen in het watersysteem en die de Keur voor het beheergebied van het waterschap concretiseert. We spreken dus niet langer van een keurontheffing of -vergunning, maar van een watervergunning.
x. werken: dit begrip komt niet voor in de Waterwet. Het is nodig omdat het realiseren van dergelijke werken in watersystemen afbreuk kan doen aan de functies die aan die watersystemen of onderdelen daarvan zijn toegekend. De regionale waterbeheerder kan daartoe zijn Keur-instrumentarium inzetten om dergelijke ingrepen van derden te voorkómen door de handeling te verbieden, dan wel de realisatie van voorschriften te voorzien via een watervergunning. Als de aspirant-bouwer van het werk bekend is met de algemene regels van het waterschap, kan hij, afhankelijk van de aard van zijn constructie en de locatie, ook volstaan met het doen van een melding aan het waterschap.
y. Wet: dit is de Waterwet, waarop het Keurinstrumentarium inhoudelijk is gestoeld, naast de provinciale Verordening voor de fysieke leefomgeving (VFL).