In de vroege middeleeuwen was West-Nederland voor een groot deel een blubberig veengebied. Om er als boer te kunnen wonen en werken, waren aanpassingen nodig. Wie deze grond wilde gebruiken voor akkerbouw, moest eerst ontwateren. Dit gebeurde door het graven van een stelsel van sloten die het water afvoerden naar een rivier of een wetering (een hoofdafvoer de polder uit).
Vanaf de 11e eeuw begon de bevolking toe te nemen. In vrij snel tempo werd een groot deel van het huidige Zuid-Holland en West-Utrecht klaargemaakt voor landbouw en akkerbouw. De staat van het water was een dorpsaangelegenheid en het dorpsbestuur regelde dit naast andere bestuurszaken. Dit ging goed zolang de dorpsbewoners eigenaar en gebruiker van hun eigen grond waren. Maar na een tijdje kwamen er verschillen: sommige boeren werden huurder van grond die van een ander was. Soms was die grond zelfs van iemand die niet (meer) in het dorp, maar in de stad woonde. Hierdoor hadden niet alle leden van de dorpsgemeenschap meer dezelfde ideeën over wat ze met hun grond wilden.
Kleinere dingen die gedaan moesten worden, waren meestal een particuliere aangelegenheid. Dit zou zo blijven tot in de 19e eeuw. Tussen 1795 en 1813 werd duidelijk dat de waterstaat een publieke aangelegenheid moest zijn. In de 19e eeuw ontstond de landelijke Rijkswaterstaat. Ook de provincies hadden eigen waterstaatsdiensten voor toezicht op de talloze kleine waterschappen binnen hun grenzen.
Geleidelijk aan zijn al die kleine waterschappen opgeheven. Ze zijn samengevoegd of opgedeeld over andere waterschappen. Dit samenwerkingsproces is nog versterkt door de Waterschapswet van 1992. Daarin is bepaald dat alle inwoners van Nederland waterstaatszorg nodig hebben, hierover zeggenschap hebben maar ook moeten meebetalen hieraan. In deze wet staat ook dat alle taken op het gebied van die zorg bij de waterschappen moeten zijn ondergebracht.
Lees ook over de geschiedenis van Waterschap Zuiderzeeland.
© Waterschap Zuiderzeeland
