Waarom het waterschap doet wat het doet en doen moet in verband met de droogte

Het beheergebied van Waterschap Zuiderzeeland is uniek; het is een zeer laaggelegen poldergebied. Ondanks de droogte (gebrek aan regen, warmte en veel verdamping) sinds april moest het waterschap in de Noordoostpolder en in Zuidelijk en Oostelijk Flevoland tot half juli nog steeds meer water het gebied uitpompen dan inlaten.

Het hele jaar door is het waterschap hard bezig om het gebied te bemalen, dus om het teveel aan water uit te slaan. Dit teveel aan water wordt naast regen ook veroorzaakt door kwelwater. Dat is water uit de ondergrond, dat wordt aangevoerd uit andere gebieden (omdat het hier het laagste punt is) en van onder of door de dijken.

Het waterschap doet aan continue monitoring en doet nog steeds de oproep aan iedereen in het gebied om zuinig te zijn met water.

Droogte uitgelegd in een illustratie

Water op peil houden

Waar andere waterschappen (op hoger gelegen gronden) beregeningsverboden afkondigen, lukt het in het beheergebied van Waterschap Zuiderzeeland tot nu toe om het water op peil te houden. We laten volgens regionale afspraken water in vanuit het IJsselmeer, waardoor we aan onze verplichtingen kunnen voldoen op het gebied van de waterkwantiteit en waterkwaliteit.

Mocht het gebeuren dat de waterpeil van het IJsselmeer te ver daalt, dan kan het zijn dat Rijkswaterstaat de watertoevoer beperkt. Hierover zijn regionaal duidelijke afspraken gemaakt waarbij Waterschap Zuiderzeeland vanwege de levering van water (door uitmalen) nog steeds water mag inlaten. Dit doen we zonder omliggende waterschappen, die ook elk hun eigenstandig beheergebied hebben, te benadelen.

Zonodig beperkende maatregelen

Mocht de waterinlaat vanuit het IJsselmeer in de Noordoostpolder en in Zuidelijk en Oostelijk Flevoland sterk afnemen of zelfs stoppen, dan kan het bestuur van Waterschap Zuiderzeeland aanvullende (lees: beperkende) maatregelen nemen op het oppervlaktewatergebruik. Dit is overigens in de geschiedenis van Waterschap Zuiderzeeland nooit eerder voorgekomen.

Er zijn wettelijke afspraken over de zogenoemde ‘verdringingsreeks’. In de Waterwet is vastgelegd welke belangen voorgaan (dus: waar het oppervlaktewater voor mag worden gebruikt) en welke functies als eerste te maken krijgen met waterbeperkingen, zoals een (gedeeltelijk) beregenings- of wateronttrekkingsverbod.

De hoop is dat het toepassen van de verdringingsreeks niet nodig is. Want het waterschap realiseert zich dat het instellen van een onttrekkingsverbod grote gevolgen heeft voor agrariërs, en anderen die in hun bedrijfsvoering van oppervlaktewater afhankelijk zijn. En dat ook ten behoeve van de natuur in die situatie niet overal voor voldoende water kan worden gezorgd. Helaas kan het dat de droogte het waterschap tot bepaalde maatregelen dwingt.