Wat hield de pilot in?
Aan de pilot deden in totaal achttien ondernemers mee die werken in het gebied rond de Roerdomptocht. De meeste deelnemers waren akkerbouwers, zowel gangbaar als biologisch. Ook een paar fruittelers sloten zich aan. Met de deelnemers zijn de volgende activiteiten ondernomen:
Inzicht door metingen
De deelnemers kregen meer inzicht in de hoeveelheid stikstof in hun bodem. Per bedrijf werden op één perceel metingen gedaan naar minerale stikstof (ammonium en nitraat) in verschillende bodemlagen. Zo werd duidelijk hoeveel stikstof er tijdens het seizoen beschikbaar is voor het gewas. Ook in het najaar zijn metingen gedaan. Deze kunnen helpen bij doelgericht bemesten, wat belangrijk lijkt te gaan worden binnen het 8e Nitraatactieprogramma. Daarnaast is per perceel een stikstofbalans opgesteld. Deze balans laat zien hoeveel stikstof het bedrijf aanvoert en hoeveel er wordt afgevoerd. De deelnemers kregen ook nitraatteststrips om zelf nitraat in drain- en slootwater te meten. Dit geeft een eerste indruk van mogelijke stikstofverliezen bij veel neerslag.
Individuele begeleiding
De deelnemers kregen individuele begeleiding. In keuken tafel gesprekken is besproken welke maatregelen zij kunnen nemen om de stikstofbenutting te optimaliseren. Met alle deelnemers zijn afspraken gemaakt. Op sommige percelen zijn proeven aangelegd om nieuwe maatregelen te testen en te vergelijken met de gewone werkwijze. Een aantal ondernemers liet bovendien berekeningen maken met een model dat de mineralisatie en de levering van stikstof uit organische stof voorspelt. Dit hielp om beter te plannen welke hoeveelheid mest nodig was, en wanneer.
Groepsbijeenkomsten
Er waren regelmatig groepsbijeenkomsten. Tijdens deze bijeenkomsten konden deelnemers ervaringen uitwisselen en van elkaar leren.
Wat lieten de metingen zien?
Uit de metingen bleek dat er grote verschillen zijn tussen gewassen in hoeveel stikstof er na de oogst in de bodem achterblijft. Bij sommige gewassen, zoals bij uien, spinazie, bloemkool, broccoli, tulpen en aardappelen, bleef veel stikstof achter. Bij andere gewassen, zoals suikerbieten, wintertarwe, grasland en vlas, bleef juist weinig stikstof achter. In een perenboomgaard werd ook een vrij hoge hoeveelheid stikstof in de bodem gemeten. Ook tussen percelen met hetzelfde gewas waren de verschillen groot. Zo lag de hoeveelheid stikstof in de bovenste 90 centimeter van de bodem na de oogst van aardappelen tussen de 16 en 93 kilo Nmin per hectare. Bij uien lag dit tussen de 38 en 160 kilo Nmin per hectare. Wintertarwe liet meestal weinig stikstof achter, maar soms juist toch veel. Dit gebeurde wanneer er mest was gegeven voordat een groenbemester werd ingezaaid. In één geval was er zelfs meer mest gegeven dan de groenbemester kon opnemen, waardoor er in het najaar 77 kilo reststikstof per hectare in de bodem achterbleef.
Het is moeilijk om precies te sturen op de hoeveelheid stikstof in de bodem in het najaar. Dat komt doordat veel verschillende factoren invloed hebben. Zo spelen managementmaatregelen een rol, maar ook allerlei processen in de bodem. Denk aan de afbraak van organische stof, de opname van stikstof door het gewas en de mate van uitspoeling. Deze processen worden weer
beïnvloed door de eigenschappen van het perceel, zoals bodemvruchtbaarheid en het gebruik in eerdere jaren. Ook het soort gewas en het weer (temperatuur en regen) hebben veel invloed. Al deze zaken samen bepalen hoeveel stikstof uiteindelijk in de bodem wordt gemeten.
Wat hebben de metingen opgeleverd?
De metingen hebben de deelnemers veel extra inzicht gegeven. Door de Nmin-metingen, de gesprekken en de bijeenkomsten hebben meerdere ondernemers hun werkwijze aangepast. Hierdoor benutten zij stikstof beter en spoelt er minder stikstof uit naar het grond- en oppervlaktewater. Veel van deze maatregelen zijn ook handig voor andere telers in het gebied. De belangrijkste lessen uit de pilot zijn hieronder benoemd.
Na gewassen zoals uien, spinazie en aardappelen blijft er van nature al veel stikstof in de bodem achter. Een groenbemester heeft dan genoeg voeding. Extra bemesten is niet nodig en zorgt juist voor meer uitspoeling en een lagere stikstofbenutting.
Wordt er een groenbemester ingezaaid na graan, zoals tarwe? Dan is bemesting meestal wél nodig, omdat graan weinig stikstof achterlaat. Let daarbij op twee dingen:
- Geef alleen de hoeveelheid stikstof die de groenbemester echt nodig heeft.
- Kies liever voor vaste, strorijke mest (bijvoorbeeld van runderen of geiten) dan voor drijfmest. De stikstof komt dan langzamer vrij, waardoor de kans op uitspoeling kleiner wordt.
Organische mest geeft altijd stikstof vrij. Als er in het najaar geen gewas staat om die stikstof op te nemen, spoelt het gemakkelijk uit. Daarom mag mest, ook vaste mest, in het najaar alleen worden gegeven als er daarna een groenbemester of wintergraan wordt ingezaaid.
Bij sommige teelten, zoals peren, worden maar weinig nutriënten afgevoerd met de oogst. In dat geval kan de mestgift lager zijn. Als er structureel meer mest wordt gegeven dan een gewas nodig heeft, neemt het risico op stikstofverliezen sterk toe.
Sommige gewassen laten de bodem rijker achter dan andere. Vooral na gescheurd grasland, grasklaver, een ingewerkte groenbemester of gewassen als suikerbieten of koolgewassen komt veel stikstof vrij. Daarom moet de bemesting worden aangepast aan wat de bodem zelf al levert. Dit kan worden ingeschat met gegevens uit het Handboek Bodem en Bemesting of met een mineralisatiemodel.
Bijbemesting is handig bij gewassen waarvan de stikstof behoefte tijdens het seizoen lastig te voorspellen is. Bij aardappelen werkt dit bijvoorbeeld goed. Door later in het seizoen extra stikstof te geven (bijbemesting), sluit de bemesting beter aan bij wat het gewas echt nodig heeft.
Waar liepen deelnemers tegenaan?
Voor veel deelnemers was het lastig om mest op het juiste moment toe te passen. Op kleigrond is de nazomer en het najaar meestal een goed moment om dierlijke mest uit te rijden. De grond is dan vaak droog, waardoor er minder risico is op verdichting of beschadiging van de bodem. Maar voor een goede stikstofbenutting is dit eigenlijk niet het beste moment. Als je in het najaar mest geeft terwijl er geen gewas op het land staat, kan de vrijgekomen stikstof makkelijk uitspoelen. Daarom is het belangrijk dat er in het najaar een gewas groeit, zoals een groenbemester, én dat de hoeveelheid mest wordt afgestemd op wat dit gewas nodig heeft.
Een extra probleem is dat dierlijke mest, zoals drijfmest, vaak een negatieve prijs heeft. Dat betekent dat akkerbouwers geld toe krijgen om de mest af te nemen. Hierdoor ontstaat een (financiële) prikkel om zoveel mogelijk mest te gebruiken binnen de wettelijke normen. Dit maakt het moeilijker om zorgvuldig en op basis van de echte stikstofbehoefte te bemesten.
Ontvang het agrarisch nieuws in uw inbox
Altijd als eerste op de hoogte? Meld u aan en ontvang ons agrarisch nieuws automatisch in uw mailbox!

