De Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (STOWA) en het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat hebben onderzoek laten doen naar de concentraties PFAS in het afvalwater van 8 rioolwaterzuiveringen. Het onderzoek laat zien dat PFAS met biologische zuivering niet uit het water verwijderd wordt. De onderzoekers concluderen dat nader bronnenonderzoek nodig is.

PFAS zijn chemische stoffen die een risico vormen voor de gezondheid van mens en milieu. Eenmaal in het milieu breken PFAS niet of nauwelijks af. Nederland werkt samen met een aantal andere Europese landen aan een Europese restrictie voor alle PFAS. Ook lopen er verschillende onderzoeken om de bronnen en routes van PFAS beter in beeld te krijgen en aan te kunnen pakken. Dit onderzoek is er één van.

Metingen

In het onderzoek zijn 9 dagen lang op 8 rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s) metingen gedaan in het binnenkomende afvalwater (influent) en het uitgaande afvalwater (effluent) en in het zuiveringsslib. In alle onderzochte monsters van alle 8 rwzi’s zijn concentraties PFAS aangetroffen in het influent én het effluent. De afvalwaterzuivering in Lelystad is één van de 8 rwzi’s.

PFAS-verwijdering

De onderzoekers hebben de concentraties PFAS in binnenkomend en uitgaand afvalwater ook met elkaar vergeleken. Daaruit bleek dat de PFAS met de biologische zuivering van het afvalwater niet uit het water verwijderd wordt. Volgens de onderzoekers is het met de huidige kennis ook niet duidelijk of verwijdering van PFAS op rioolwaterzuiveringinstallaties met betere technieken haalbaar is.

Stabiele en niet-stabiele PFAS

In het binnenkomende afvalwater zijn naast bekende PFAS-verbindingen ook onbekende PFAS-verbindingen aanwezig. Dit zijn verbindingen die nog niet kunnen worden aangetoond en gemeten. Dit worden PFAS-precursors genoemd. Deze niet-stabiele, niet aangetoonde PFAS-precursors worden volgens de onderzoekers in de zuivering deels omgezet in stabiele PFAS die wel kunnen worden gemeten. Dit leidt tot de hogere gemeten concentraties van bekende PFAS in het gezuiverde afvalwater. Deze bevindingen worden bevestigd door buitenlands onderzoek.

Bronnen moeten beter in beeld

De verschillen tussen de hoeveelheid PFAS in het binnenkomende en het gezuiverde afvalwater betekent dat dat er meer bronnen moeten zijn dan we tot nu weten, zo denken de onderzoekers. Het is daarom belangrijk om deze PFAS-precursors beter in beeld te krijgen en aan te pakken. Als de hoeveelheid PFAS-precursors niet wordt teruggebracht, is het volgens de onderzoekers ook niet goed mogelijk om de hoeveelheid stabiele PFAS in het milieu terug te brengen. Nader bronnenonderzoek is dus nodig.

Bronaanpak en totaalverbod

Uiteindelijk moet het doel zijn: de uitstoot van PFAS naar nul. De Unie pleit daarom nadrukkelijk al langer voor een totaalverbod op PFAS. Het stemt de Unie hoopvol dat dit standpunt ook weerklinkt in Den Haag. Zo nam de Tweede Kamer onlangs meerdere moties aan om paal en perk te stellen aan deze stoffen.

Voor nu is het cruciaal dat alle bronnen en de aanvoerroutes voor PFAS in beeld komen. Dit onderzoek onderstreept dat dat nog niet geval is. Daarom roept de Unie op tot gezamenlijke inzet van het bedrijfsleven en de bevoegde gezagen die op deze lozingen toezien. Kritisch doorlichten van bestaande PFAS-lozingsvergunningen en nieuwe vergunningaanvragen is daarbij een belangrijke component. Met als doel om bij producenten al grip te hebben op gevaarlijke stoffen zoals PFAS en te voorkomen dat deze stoffen in het milieu terecht komen. De Unie van Waterschappen en de waterschappen dragen hieraan bij, delen hun kennis en werken actief mee aan onderzoeken van andere organisaties en koepels.