Oudejaarsavond 1999
31 december 1999. Op het provinciehuis in Lelystad is een groep bestuurders bij elkaar. Het is oudejaarsavond, maar van feeststemming is geen sprake. De hele wereld houdt zijn adem in voor de millenniumbug: gaan de computersystemen crashen als de datum naar 01-01-2000 verspringt? Valt de stroom uit? Stoppen de gemalen?
Waterschappen en Rijkswaterstaat hebben het waterpeil in het IJsselmeer en Markermeer uit voorzorg verlaagd. Als de systemen uitvallen en de gemalen stilstaan, is er tenminste nog een buffer voordat de polders onder water lopen.
Maar ook op bestuurlijk niveau worden voorbereidingen genomen om een mogelijke millenniumbug het hoofd te kunnen bieden. Op 3 januari fuseren Waterschap Noordoostpolder en Heemraadschap Fleverwaard samen met delen van het toenmalige Waterschap Groot Salland officieel tot één waterschap. Daarom lijkt het de aanwezigen verstandig om nu alvast de nieuwe dijkgraaf te installeren. Want als het dan misgaat, is er in elk geval iemand die voor het hele gebied beslissingen kan nemen. Op oudejaarsavond om kwart over tien tekent Henk Tiesinga de papieren.
Gelukkig blijven de computers bij het wisselen van millennium gewoon werken. En dus wordt op 3 januari Waterschap Zuiderzeeland officieel opgericht. Er wordt de hele dag vergaderd, maar er is ook tijd voor toespraken, felicitaties en cadeaus. Het waterschap krijgt een hensbeker: een glazen drinkbeker waarmee waterschappen elkaar al eeuwenlang toedrinken. Maar er wordt niet uit gedronken. Dat past bij dit jonge waterschap. “Traditie is best leuk, maar het moet niet worden opgeklopt”, zei Tiesinga eerder al in vakblad Het Waterschap. “We gaan hier informeel met elkaar om. Dat komt misschien door het pioniersgevoel, omdat we hier alles vanaf het begin hebben opgebouwd.”
Drie polders
Dat er één waterschap kwam voor de drie IJsselmeerpolders klinkt logisch. Maar het had wel wat voeten in de aarde. De drie IJsselmeerpolders zijn in verschillende perioden drooggemaakt. De Noordoostpolder werd in 1942 als eerste drooggelegd, tijdens de Tweede Wereldoorlog. In 1957 volgde Oostelijk Flevoland en in 1968 Zuidelijk Flevoland. Na de drooglegging beheerde de landelijke overheid het water.
Pas in 1986 werden er twee waterschappen opgericht voor Flevoland. Waterschap Noordoostpolder kreeg de zorg voor de dijken, sloten en vaarten en gemalen in de Noordoostpolder en een aparte organisatie zuiverde het afvalwater: het Zuiveringsschap West-Overijssel (het latere Waterschap Groot Salland). Heemraadschap Fleverwaard werd verantwoordelijk voor waterbeheer, de waterveiligheid en de dijken in de polders Oostelijk en Zuidelijk Flevoland en zuiverde daar ook het afvalwater.
Drie organisaties dus, voor verschillende polders die in veel opzichten op elkaar lijken. Alle drie zijn ze drooggelegd op de bodem van de voormalige Zuiderzee. Ze worden omringd door meer dan tweehonderd kilometer dijken en ze blijven alleen droog doordat gemalen dag en nacht het water wegpompen naar het IJsselmeer, het Markermeer en de randmeren. Maar de twee waterschappen erachter hadden elk hun eigen watersysteem, eigen gemalen en eigen manier van werken. De Noordoostpolder met haar kleine kavels en smalle watergangen had andere wateruitdagingen dan de andere twee polders. Daar was de inrichting grootschaliger en brachten de grote steden, Almere en Lelystad, ook weer andere uitdagingen met zich mee.

Hoge kosten per inwoner
Waarom dan toch die fusie? Directe aanleiding was de opheffing van het Zuiveringsschap West-Overijssel. Dat betekende dat het zuiveren van afvalwater in de Noordoostpolder bij een ander waterschap moest worden ondergebracht. Het was het meest logisch om deze taak onder te brengen bij het Waterschap Noordoostpolder, maar dat zou ook flink wat kosten met zich mee brengen.
De kosten voor waterbeheer per inwoner zijn in de Noordoostpolder namelijk hoog. Aan de ene kant doordat het waterbeheer er best ingewikkeld is. Maar ook omdat er zo weinig mensen in de Noordoostpolder wonen. De provincie Flevoland kwam tot de conclusie dat één waterschap voor de drie polders de beste oplossing was. De kosten zouden dan door alle inwoners en ondernemers van het gebied gedeeld worden, waardoor ze lager bleven.
Het Waterschap, het tijdschrift van de Unie van Waterschappen schrijft al in 1996 over de voorgenomen fusie: “Zowel in Lelystad als in Emmeloord klinkt enigszins berustend: ‘van ons had het niet gehoeven’, maar zoals elders kunnen ook zij niet ontkomen aan de concentratiegolf die al enige tijd gaande is in waterschapsland’. Maar: ‘We hebben afgesproken op basis van gelijkwaardigheid met elkaar in zee te gaan’.” Ook voor 1996 was een fusie al regelmatig onderwerp van gesprek. Zo kreeg Tiesinga in 1993, bij zijn aantreden als dijkgraaf van Waterschap Noordoostpolder, van een journalist de vraag hoelang hij dacht dijkgraaf te kunnen blijven.
Zuijderzeeland
De naam Zuiderzeeland was decennialang ook de werktitel voor de provincie zelf. Toen het waterschap in 2000 een naam nodig had, dook hij weer op. Over de naam werd niet lang gediscussieerd weet een oud-bestuurder zich te herinneren. “Er was vooral nog even discussie over of we Zuijderzeeland, met een lange ij, moesten gaan schrijven. Maar we dachten dat dat te verwarrend zou zijn.” Waterschap Zuiderzeeland dus, met als vestigingsplaats provinciehoofdstad Lelystad. Aan de Lindelaan in Lelystad kreeg het nieuwe waterschap een thuis dat werd ontworpen door architect Jan Hendrik Ruiter.

Noordoostpolder-dijkgraaf Tiesinga werd uit bijna honderd sollicitanten gekozen. Onder zijn leiding ging aan het begin van dit millennium het waterbeheer in de drie polders een nieuwe toekomst tegemoet. Natuurlijk moesten de twee voormalige organisaties in het begin best even aan elkaar wennen. De medewerkers van de vroegere organisaties met eigen werkwijze en gewoontes moesten leren samenwerken. Nog lange tijd ging het in de Noordoostpolder over ‘over de brug’ als ze het over collega’s uit de andere twee polders hadden. Maar de basis was gelegd: één waterschap dat nu al ruim 26 jaar zorgt voor drie polders, voor veilige dijken, schoon water en droge voeten in heel Flevoland en een klein deel van Friesland en Overijssel.

