Het lukt niet altijd om het waterpeil op het gewenste niveau te houden. Als in korte tijd veel regen valt kan het watersysteem dat niet altijd aan. Dan ontstaat lokaal wateroverlast. Ook als het lange tijd droog is, kunnen problemen ontstaan, bijvoorbeeld doordat er onvoldoende water is of het water niet de gewenste kwaliteit heeft. Door klimaatverandering neemt de kans op extreme weersomstandigheden toe. Daarmee neemt ook de kans op wateroverlast, watertekort en vermindering van de waterkwaliteit toe.
Uitleg: hoe water in en uit de polders gaat
In de afbeelding hieronder ziet u hoe het water in en uit de polders loopt. Op verschillende manieren komt water het beheergebied in: door kwel (water dat uit de bodem omhoog komt), neerslag en doordat we water uit het IJsselmeergebied inlaten. Het water verlaat ons beheergebied weer door verdamping en doordat we water uitmalen.

Op jaarbasis gaat er ongeveer evenveel water in als dat er uit gaat. Maar dit geldt niet op dagbasis. Op droge zomerdagen gaat er door verdamping en bemaling meer water de polder uit dan dat erin komt. Elk jaar zakken hierdoor in de zomer de grondwaterstanden. In de herfst en winter komt er meer water in en herstellen de grondwaterstanden weer. Het grondwater is dan een soort buffer.
Cijfers: de gemiddelde hoeveelheid water die per jaar binnen komt en er weer uit gaat.
- Er verdampt in Zuidelijk en Oostelijk Flevoland (ZOF) 500 mm, in de Noordoostpolder (NOP) is dat 550 mm.
- Door kwelwater komt er in ZOF 300 mm water in de polder. In de NOP is dat 250 mm.
- Door neerslag komt er in de ZOF 850 mm water in de polder. In de NOP is dat 800 mm.
- Door inlaten komt er in de NOP 200 mm water in de NOP.
- Er gaat in ZOF 650 mm water uit de polder. In de NOP is dat 700 mm.
