Flevoland is ontworpen op groei, maar het klimaat vergt nu verandering
Vanaf de inpoldering is groei de constante in Flevoland: steden en dorpen groeien, de landbouw intensiveert en de natuur ontwikkelt zich al dan niet spontaan. De beschikbare ruimte, de vruchtbare bodem en het doordachte watersysteem hebben veel mogelijk gemaakt. Maar een kentering dient zich aan. Het broeikaseffect was weliswaar al lang bekend, maar toch overvalt het ons hoe snel de zeespiegel stijgt en het klimaat verandert. De Flevolandse dorpen en steden zijn best groen, maar hitte-eilanden en water op straat komen wel voor. Onze intensieve landbouw is niet berekend op langdurige droogte en kletsnatte winters. En ook delen van de Flevolandse natuur worden beperkt doordat te weinig schoon water beschikbaar is. Ons watersysteem is nu eenmaal niet berekend op het nieuwe klimaat met soms enorme en soms aanhoudende buien, langdurige droogte en hittegolven. Bij langdurige droogte dreigt tekort aan oppervlaktewater, bij heftige neerslag kan niet al het water tegelijk worden afgevoerd, nog los van de vraag of dit wenselijk is.
Wat weten we wel en wat niet van klimaatverandering?
Twee dingen zijn zeker: de zeespiegel stijgt en de weerpatronen veranderen.
Een grote onzekerheid is dat we niet weten hoe ver en hoe snel de zeespiegel stijgt. Wat we wél zeker weten, is dat dit leidt tot verzilting in de lage delen van onze polders en blijvende dijkversterking nodig maakt. Een grote onzekerheid is ook dat we niet weten in welke mate ons klimaat natter, droger en warmer wordt. Mocht de warme Golfstroom stilvallen, dan kan dat nog wel eens heel anders uitpakken. De zekerheid die we daarbij wel hebben is dat het huidige gematigde zeeklimaat verleden tijd wordt. Deze ontwikkelingen waren in de eerste helft van de 20e eeuw niet te voorzien en ons watersysteem is er dan ook niet op ontworpen.
We staan voor een keuze: blijven verbeteren wat er is of het systeem en gebruik anders inrichten
Adaptatie is onontkoombaar, maar hoe? Wordt het intensiveren of transformeren?* Kiezen we voor intensiveren: het bestaande en bekende blijven perfectioneren met aanpassing op aanpassing, en accepteren we dus de risico’s van een minder robuust watersysteem? Of kiezen we voor transformeren: meer robuustheid in het watersysteem, en accepteren we de nieuwe wegen die daarvoor nodig zijn in landbouw, natuur en bebouwing?
Geen simpele puzzel. En dan nog: welke horizon, welk baken kiezen we? Het is al snel 2050. Is 2100 geschikt? Of is 2200 beter? Wie het weet, mag het zeggen.
We moeten nu beginnen met aanpassen
Wat ik wel weet is dat we zo snel mogelijk, liefst vandaag nog, moeten beginnen met de puzzel én met adaptatie. Daarvoor reik ik graag een set nuchtere ‘adaptatie’ principes aan:
- Denk in scenario’s en redeneer van daaruit terug naar wat nu al nodig is.
- Benut zowel wetenschappelijke kennis als praktijkervaringen.
- Neem geen maatregelen die tot een ‘doodlopende weg’ kunnen leiden.
- Neem daarentegen ‘geen spijtmaatregelen’ zodra hun nut duidelijk is.
- Denk in brede welvaart en niet alleen financieel.
- Kijk altijd vooruit en naar de ruimere wereld om je heen.
- En vooral: bekijk water, bodem en biodiversiteit steeds in samenhang.
Water, bodem en biodiversiteit horen bij elkaar
Dit laatste principe is voor de tuindersdochter en ecoloog die ik ben een inkopper. Maar niet alleen voor mij. Dit principe wordt, expliciet of impliciet, ook in beleid omarmd. De lagenbenadering in de ruimtelijke ordening gaat uit van drie lagen: ondergrond, netwerken en landgebruik. Ondergrond is dan de fysieke ondergrond, het watersysteem en het biotisch systeem. De Strategische Agenda Flevoland benoemt water, bodem en biodiversiteit als het Natuurlijk Fundament. Water, bodem en biodiversiteit dragen de samenleving en economie van Flevoland. Omgekeerd vraagt klimaatadaptatie dus van de samenleving en economie de bereidheid tot aanpassing.
De eerste stappen naar klimaatadaptatie worden al gezet
Enkele voorbeelden:
- In de woningbouwopgave krijgt “Water en bodem sturend” voet aan de grond. Het liefst direct bij de locatiekeuze, maar in elk geval in de wijk- en straatinrichting.
In de steden en dorpen zijn ‘tegel wippen’ en watertonnen individuele bijdragen van inwoners aan natuur en een gezondere bodem, maar vergroenen de gemeenten ook de vaak stenige centra. - In de akkerbouw werken agrariërs aan het verhogen van het gehalte aan organisch stof in de bodem. Dit versterkt de bodembiodiversiteit en het watervasthoudend vermogen. Steeds meer akkers gaan ‘groen’ de winter door. Niet kerende grondbewerking en regeneratieve landbouw stimuleren het bodemleven.
Strokenlandbouw en agroforestry vinden ingang, grasklaverstroken en bloemrijke akkerranden zijn er al langer. Ze zorgen zowel boven- als ondergronds voor meer biodiversiteit en een vitalere bodem. - In natuurgebieden wordt bij aanplant of verjonging van bos gekozen voor een menging van boomsoorten. Daarbij worden bomen gekozen die ook gedijen in een veranderend klimaat. In vochtige natuur wordt winterneerslag vastgehouden, dat vergroot de sponswerking. Blauwgroene dooradering zorgt voor verbinding en versterkt biodiversiteit.
- In ons waterbeheer is en wordt met aanleg van duurzame en natuurvriendelijke oevers ruimte gemaakt voor waterberging en biodiversiteit, dat komt de kwaliteit van ons oppervlaktewater ten goede. Ik verwijs graag naar de Agenda Biodiversiteit!
Samenwerking maakt ons gebied sterker voor de toekomst
Verbinding is de sleutel! Ook voor klimaatadaptatie! Met dat water, bodem en natuur meer met elkaar verbonden raken, vergroot de robuustheid of misschien beter: de veerkracht van ons watersysteem. Net zoals water, bodem en biodiversiteit – het Natuurlijk Fundament – alleen samen en in verbinding sterk zijn, wordt ook ons gebied pas toekomstbestendig door constructieve en blijvende samenwerking.
Riet Rijs
Lid Algemeen Bestuur
*Voorbij de risico’s: keuzes voor een klimaatbestendige leefomgeving. Planbureau voor de Leefomgeving. Den Haag, 2026.

