Na zijn studie aan de Hogere Bosbouw- en Cultuurtechnische School begon Fokkens direct aan de inrichting van het pas drooggelegde Zuidelijk Flevoland. Waar de Noordoostpolder en Oostelijk Flevoland vooral waren ontworpen vanuit landbouw en voedselzekerheid, kreeg Zuidelijk Flevoland een bredere opzet. Wonen, economie, natuur en landbouw moesten er naast elkaar kunnen bestaan. Daarmee leverde de polder een belangrijke bijdrage aan de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland.
Een andere inrichting
Die bredere ambitie betekende ook een andere aanpak. Niet langer vormde een hydrologisch verkavelingsplan het uitgangspunt, maar een structuurplan waarin verschillende functies werden gecombineerd. Volgens Fokkens verschilt Zuidelijk Flevoland daardoor duidelijk van de eerdere polders. In de Noordoostpolder werden vrijwel alle gronden ingericht voor landbouw en was de waterhuishouding complexer, onder meer door het ontbreken van een randmeer. Oostelijk Flevoland kreeg wel een randmeer, wat het waterbeheer vereenvoudigde en tegelijkertijd ruimte bood voor recreatie en natuur.
In Zuidelijk Flevoland bleek de werkelijkheid weerbarstiger. De bodemdaling was groter dan verwacht en oude rivierlopen zorgden voor sterk wisselende bodemlagen. Samen met archeologische vondsten maakt dat de ruimtelijke ontwikkeling ingewikkeld, juist nu de druk op de beschikbare ruimte door de woningbouw verder toeneemt.
Grenzen van de maakbaarheid
Bij de inrichting van de polders bepaalden de gewenste functies het landschap. Inmiddels ziet Fokkens dat de natuurlijke eigenschappen van bodem en water steeds meer bepalen welke functies nog haalbaar zijn. “We weten nu dat niet alles wat maakbaar is ook op de lange termijn houdbaar blijft.” Tegelijkertijd groeit de druk op de ruimte. Er is behoefte aan woningen, duurzame energie, economische ontwikkeling en een toekomstbestendige landbouw. In combinatie met klimaatverandering en bodemdaling zet dat de waterkwaliteit, biodiversiteit en leefomgeving onder druk.
Leren van nieuwe inzichten
Veel van de huidige ontwikkelingen waren destijds niet te voorzien. De omvang van de bodemdaling bijvoorbeeld. “We verwachtten wel inklinking, maar niet in deze mate.”
Ook de komst van windmolens en de gevolgen van intensieve landbouw waren destijds geen thema. Windturbines beperken de mogelijkheden voor woningbouw in hun omgeving, terwijl intensief bodemgebruik leidt tot een afnemende bodemkwaliteit en meer gebruik van bestrijdingsmiddelen.
Volgens Fokkens is daarom een andere visie op bodem- en waterbeheer nodig. “We kunnen de toekomst niet voorspellen, maar we weten inmiddels wel dat klimaatverandering doorzet en dat de bodem niet onuitputtelijk is. Om Flevoland klimaatadaptief te maken, moeten we meer ruimte geven aan water en natuur.”
Water en bodem als vertrekpunt
Volgens Fokkens moeten water en bodem niet langer worden beheerst, maar juist het vertrekpunt vormen voor keuzes over wonen, landbouw, natuur en economie. Hij ziet dat deze omslag al voorzichtig zichtbaar is. Zo kiest het waterschap steeds vaker voor natuurvriendelijke oevers en worden bij dijkversterkingen zachte oevers aangelegd die zowel ecologisch als financieel voordelen bieden.
Daarnaast vraagt hij aandacht voor het grotere watersysteem. Flevoland is afhankelijk van het IJsselmeer voor de zoetwatervoorziening, terwijl dat water uiteindelijk afkomstig is uit de Rijn en de IJssel. Door klimaatverandering neemt de aanvoer van smeltwater uit de Alpen af. “We moeten ons realiseren dat die vanzelfsprekende beschikbaarheid van water niet gegarandeerd blijft.”
Voorbereiden op extremer weer
Ook bij ruimtelijke keuzes moet volgens Fokkens meer rekening worden gehouden met de natuurlijke omstandigheden. Op plekken waar de bodem sterk daalt, is woningbouw niet altijd verstandig, zeker nu extreem weer vaker voorkomt. Een toekomstbestendig Flevoland vraagt volgens hem om een robuust bodem- en watersysteem, waarin natuur een grotere rol krijgt. Agro-ecologische landbouw, herstel van natte natuur, een sterke groenblauwe infrastructuur, slim grondwaterbeheer en meer ruimte voor waterberging en infiltratie zijn daarbij onmisbare bouwstenen.
Wie is Bart Fokkens?
Bart Fokkens groeide op als boerenzoon in Noord-Groningen en woont tegenwoordig in Lelystad. Hij werkte jarenlang als bodem- en watermanagementexpert bij de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders en was nauw betrokken bij de ontginning en eerste inrichting van Zuidelijk Flevoland.
Daarnaast vervulde hij diverse bestuursfuncties en was hij kamerheer van koningin Beatrix, koning Willem-Alexander en koningin Máxima. Vanwege zijn inzet voor ecologisch watersysteemherstel staat hij ook bekend als de ‘wetlandman’. Hij was medeoprichter en voorzitter van Het Flevo-landschap en is nog altijd actief voor verschillende Europese natuur- en waterprogramma’s.

