Erfafspoeling

Uit recente rapportages van de Kaderrichtlijn Water (Europese regelgeving op het gebied van waterkwaliteit) blijkt dat de waterkwaliteit in Nederland nog niet op orde is. Een van de knelpunten die het halen van de KRW-doelen in de weg staan is de milieubelasting van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen uit de landbouw

Binnen de veehouderij zorgt erfafspoeling voor een hoge belasting van het oppervlaktewater. Om deze belasting terug te dringen zijn extra maatregelen nodig. Daarom is het project "Goed Boerenerf" in samenwerking met LTO-Noord in Flevoland opgestart. (Melk)Veehouders kunnen door dit project een gratis advies op maat ontvangen voor een optimale inrichting van hun erf, zodat erfafspoeling zoveel mogelijk voorkomen wordt.

Foto van een erf.

Europese Kaderrichtlijn Water

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) bestaat sinds het jaar 2000 en richt zich op het verbeteren en in stand houden van de ecologische en chemische waterkwaliteit. De richtlijn schrijft voor dat de waterkwaliteit in 2015 aan bepaalde eisen moet voldoen. De tussentijdse rapportages laten zien dat de waterkwaliteit in Nederland, ondanks allerlei inspanningen, nog niet op het gewenste niveau is. De bestaande maatregelen blijken onvoldoende effectief of niet toereikend genoeg te zijn. Het niet behalen van de KRW-doelen heeft voor overheden en bedrijven grote gevolgen. Voor de waterschappen is dit reden geweest om fors in te zetten om de chemische en de ecologische waterkwaliteit op goed niveau te krijgen en te houden. Zo worden zuiveringen verbeterd en overstorten aangepakt. Ook de landbouw zal als een van de bronnen haar steentje bij moeten dragen.

Erfafspoeling

De waterschappen in Nederland hebben van 1999 tot en met 2006 veel onderzoek gedaan naar erfafspoeling op veehouderijbedrijven. Hieruit is gebleken dat afspoelend hemelwater vanaf het erf een serieuze bron van verontreiniging voor het oppervlaktewater vormt. De verontreiniging ontstaat als hemelwater op het verharde erf in contact komt met voer(resten), mest(resten), perssappen en/of mestvocht en vervolgens afspoelt naar de sloot.

In de afgelopen jaren is ook veel onderzoek gedaan naar maatregelen om erfafspoeling te verminderen en te voorkomen. De Nederlandse waterschappen en LTO-Nederland vinden het tijd dat veehouders maatregelen op hun eigen bedrijf/boerenerf gaan treffen.

Gevolgen van erfafspoeling voor het oppervlaktewater

Perssappen ontstaan bij het fermentatieproces van ruwvoer en nemen toe wanneer de omstandigheden bij het inkuilen niet optimaal zijn. Bij relatief veel perssappen zullen deze uit de kuil vrijkomen. Bij (natte) bijproducten zoals aardappelvezels, bierbostel en bietenperspulp wordt relatief veel proceswater meegeleverd. Percolaat ontstaat wanneer hemelwater in contact komt met onafgedekt voer en of voerresten.

Perssappen, maar ook proceswater en percolaat, bevatten hoge concentraties aan voedingsstoffen die bij een lozing in het oppervlaktewater terecht komen. Wanneer dit plaatsvindt onttrekken bacteriën zuurstof aan het water om de voedingsstoffen af te breken. Bij (te)veel stoffen ontstaat zuurstofgebrek met als gevolg dat het leven in het water afsterft. Na verloop van tijd ontstaat een rottingsproces met als gevolg een zuurstofloze ‘ stinksloot'. Een ander nadeel van perssappen is de lage zuurgraad (pH van circa 5). Bij een dergelijke lage zuurgraad is biologische activiteit nagenoeg onmogelijk met als gevolg dat ook dan al het leven in het oppervlaktewater afsterft.

Project Absorberende onderlaag bij ruwvoerkuilen in de praktijk

Waterschap Zuiderzeeland heeft met twaalf andere waterschappen en LTO Noord veehoudersbekijkeneensnijmaskuilmeteenonderlaagvanstroFondsen meegedaan aan het project "Absorberende onderlaag bij ruwvoerkuilen in de praktijk". Doel van het project (praktijkonderzoek) was om na te gaan of door middel van een absorberende onderlaag (stro) het vrijkomen en afstromen van perssappen uit snijmaïskuilen naar oppervlaktewater kan worden voorkomen. Inmiddels is uit de definitieve onderzoeksresultaten (pdf, 7,5 MB) gebleken dat deze absorberende onderlaag een oplossing is voor dit probleem.

Op dertien melkveehouderijbedrijven (één per waterschap) is in het najaar van 2011 snijmaïs ingekuild op een absorberende onderlaag. In Flevoland heeft de familie Plomp uit Rutten deelgenomen aan het onderzoek. Op de meeste bedrijven is gehakseld koolzaadstro als onderlaag gebruikt. Uit vooronderzoek was namelijk gebleken dat dit stro het meeste perssap kan absorberen (binden). Tijdens het uitkuilen zijn twee keer monsters genomen van de snijmaïs en het stro. Deze monsters zijn geanalyseerd op diverse parameters.

Uit de resultaten blijkt dat in alle snijmaïskuilen de perssappen zijn geabsorbeerd en daardoor niet zijn vrijgekomen en afgestroomd naar oppervlaktewater. Ook de voederwaarde blijft behouden en de onderlaag van stro kan prima worden meegevoerd aan de koeien. De deelnemende veehouders zijn enthousiast en ervaren de absorberende onderlaag als een praktische en goedkope oplossing. De absorberende onderlaag kan ook worden toegepast onder een natte herfstgraskuil.

Resultaten onderzoeken erfafspoeling

Tussen 2000 en 2007 hebben diverse waterschappen in Nederland onderzoek gedaan naar de omvang van erfafspoeling op veehouderijbedrijven. Samenvattend laten de onderzoeken de volgende resultaten zien:

  • Door erfafspoeling komen hoge concentraties en grote vrachten aan verontreinigde stoffen in het oppervlaktewater terecht. Omgerekend naar vervuilingseenheden (ve) wordt gemiddeld 85 ve geloosd. Ter vergelijking: een huishouden loost 3 ve.
  • Een belangrijke parameter voor de waterkwaliteit is chemisch zuurstof verbruik (czv). Uit analyses blijkt dat perssappen een czv-waarde heeft van gemiddeld 70.000 mg/liter. Ter vergelijking: huishoudelijk afvalwater heeft een czv-waarde van gemiddeld 700 mg/liter.
  • Voor bepaalde stoffen geldt een maximaal toelaatbaar risico (MTR-waarde) in het oppervlaktewater. Bij erfafspoelwater wordt de MTR-waarde voor fosfaat 140x overschreden en voor stikstof 31x.
  • Er bestaan grote verschillen tussen de bedrijven.

Uit de resultaten concluderen de waterschappen dat erfafspoeling een grote bron van verontreiniging is voor het ontvangende oppervlaktewater. Een dergelijke lozing in het oppervlaktewater is op basis van regelgeving niet toegestaan.

Een op het oog net bedrijf hoeft niet schoon te zijn

De huidige regelgeving geeft aan dat een boerenerf altijd ‘bezemschoon' moet zijn. Maar, wat is nu ‘schoon' en welke emissienorm is in de praktijk haalbaar? Welke maatregelen en voorzieningen dragen hier effectief aan bij? Om deze vragen te kunnen beantwoorden, heeft de landelijke Werkgroep Erfafspoeling in 2008 een onderzoek uitgevoerd op 19 ‘schone' veehouderijbedrijven verspreid over heel Nederland. In het onderzoek is de kwaliteit van het afstromende erfafspoelwater op veehouderijbedrijven, die voldoen aan de kenmerken van een ‘schoon' bedrijf, gemeten. De resultaten zijn vervolgens vergeleken met een referentiewaarde van 11 ve. Dit is de afvoer van een standaard erf en de kwaliteit van het effluent van een IBA.

Uit het onderzoek is gebleken dat tweederde deel van de bedrijven fors boven de referentiewaarde scoren. Gemiddeld lozen de ‘schone' bedrijven ruim 87 ve en dit is even hoog als bedrijven die geen of minder maatregelen hebben genomen. Hieruit valt op de maken dat, ook al zien bedrijven er uiterlijk netjes en schoon uit en hebben zij de nodige maatregelen genomen, er nog steeds sprake kan zijn van een te hoge milieubelasting. De oorzaak hiervan ligt primair bij een lozing van perssappen en percolaat uit de voeropslag (graskuil, maïskuil en bijproducten) in combinatie met onvoldoende goede landbouwpraktijk (= het netjes en schoon werken op het erf).

Kenmerken van een ‘schoon' bedrijf

  • Het erf is bezemschoon
  • Perssappen en percolaat uit de voeropslag worden opgevangen
  • De openliggende kuil wordt afgedekt of heeft een recht snijvlak
  • De (natte) bijproducten worden opgeslagen in een aparte opslag met een afvoer voor perssappen en percolaat naar een opvangvoorziening
  • De vaste mest wordt opgevangen in een aparte opslag met een afvoer voor mestvocht naar een opvangvoorziening
  • Bij koeverkeer op het erf mag mest niet naar het oppervlaktewater afstromen
  • Bij het houden van dieren op het verharde erf wordt het mestvocht opgevangen

Waarom scoren de ‘schone' veehouderijbedrijven zo hoog?

  • De scheiding tussen ‘schoon' (= hemelwater op bezemschoon erf) en ‘vuil' water (= perssappen en percolaat uit de voeropslag) lijkt niet effectief te zijn. Een voorbeeld hiervan is dat handbediende kleppen niet consequent worden gebruikt om perssappen en percolaat naar een opvangput af te voeren.
  • Bezinkputten en of straatkolken zijn voorzien van een overloop naar het oppervlaktewater en zijn geen dichte opvangvoorzieningen. Bij het onvoldoende schoon houden van het erf en de putten/kolken stroomt vuil water naar het oppervlaktewater af.
  • Er worden tijdelijk producten (ruwvoer, vaste mest) op het erf opgeslagen.
  • De voeropslag wordt niet consequent schoon gehouden.
  • Veehouders zijn zich onvoldoende bewust van het ontstaan van perssappen en percolaat en handelen hier niet adequaat naar.